Over deze reeks
Elke zaterdag publiceert AI Report een Nederlandse vertaling van een artikel dat Alberto Romero schreef voor The Algorithmic Bridge. AI Report-abonnees krijgen via deze link 20% korting op een abonnement.
Vertaling en eindredactie: Erwin van Wouw

Een kort essay. Iets om over na te denken.

De laatste tijd ben ik de wereld een stap voor.
Ik gooi godslasterlijk veel gedachtestreepjes in mijn teksten; ik duik in de wonderen van buitensporige tegenstellingen – niet alleen de nuttige soort, maar ook de soort waarmee je betekenis ondergeschikt maakt aan structuur, alsof een onstuitbare drang je dwingt elke deuropening in huis met een spitsboog te bekronen – en tot slot zorg ik ervoor dat elke zin drie elementen bevat.
Ik begrijp het best als je me voor gek verklaart. Ik zie je bezorgde, ongelovige gezicht bijna voor me. Je vraagt je vast af waar ik in godsnaam mee bezig ben, nu ik zo opzichtig strooi met de bekendste verklikkers van AI-teksten, toch?
Fout.
Kijk, zover is de wereld inmiddels ook. Iedereen met twee ogen in zijn kop kan de meest voor de hand liggende AI-verklikkers herkennen. Wat doen mensen dan? Ze nemen er natuurlijk afstand van. Maar onvolmaakte mensen als ze zijn, doen ze dat stapje voor stapje. Ze schikken hun teksten nog steeds naar de wil van de machine, zoals een kind zijn driftbui schikt naar de wil van de volwassene: via omgekeerde psychologie.
Ze zorgen er met religieuze ijver – en soms ronduit barbaars – voor dat niets wat ze op papier zetten gedachtestreepjes nodig heeft. Dat leesteken bestaat voor hen niet meer; voor de zekerheid hebben ze de toets uit hun toetsenbord gesloopt. Ook het hele kastlijntje, zijn langere – en zelden gebruikte – neef, hebben ze in de ban gedaan. Zelfs koppeltekens worden aan een kritisch onderzoek onderworpen, dus die moeten er ook aan geloven.
De onbegrepen en verkeerd gebruikte puntkomma; maakt tegen alle verwachtingen in een comeback.
Ook drieslagen komen in hun teksten niet voor. Alles gaat in paren of viertallen, afhankelijk van of de stemming braaf of pikant is. Als ze de kernwaarden van de Franse Revolutie moeten opnoemen, doen ze alsof ze liberté zijn vergeten. Ze spelen ‘steen, papier’ en dragen zo onbedoeld bij aan een onverdiende hegemonie van dat laatste. Wel zijn ze dol op de Beatles, de seizoenen en Empedokles.
Je zult ze zich een weg uit de trainingsdata zien touretten. Vreemde woorden kilogram toevoegen om de paar tapijt gewone woorden zebra. Maar ze vergeten dat Žižek de makkelijkst na te bootsen filosoof is; ze zien niet in dat eigenaardigheid hen niet kan redden, omdat het onmogelijk is om op een willekeurige manier eigenaardig te zijn. Juist het antipatroon van Žižeks tics en gesnuif en getrek aan zijn shirt enzovoort enzovoort maakt hem tot een levend patroon.
En dat zullen ze bij elk kenmerk van AI-teksten doen: precies het tegenovergestelde van wat AI zou doen. Kortom, de schrijfwereld is in de aanval en probeert AI te slim af te zijn door met een Uno-keerkaart de rollen om te draaien.
Maar ze beseffen niet dat er bij AI-teksten niet zozeer één, maar een dubbele absurditeit te ontvluchten valt.
Je hebt de absurditeit om AI te laten opschrijven wat je denkt of voelt – alsof je de wc je eten voor je laat opslokken: in beide gevallen sla je een hinderlijke stap over – en je hebt de absurditeit om te proberen aan die eerste absurditeit te ontsnappen door de andere kant op te rennen, alsof omgekeerde psychologie zou werken bij de scherpe blik van een superintelligentie; alsof de volgende generatie AI-modellen niet precies zal doorhebben wat je doet.
Men mag niet vergeten dat AI een patroonherkenner is, dus met patroonherkenning komt men niet uit deze puinhoop. Als men kat en muis speelt met AI, kan men maar beter de kat zijn. Maar men is, en blijft altijd, het muisje dat gedachtestreepjes opgeeft omdat die het lievelingseten van AI zijn.
Ik ben de kat.
En ik ben de wereld een stap voor.
Ik zal pagina na pagina vullen met niets dan gedachtestreepjes, onderbroken door een sporadisch woord. Of ze, net als Kierkegaard, zo lang maken als ik maar kan – ja, zo lang als de straal van de aardbaan––––––gewoon om die ratelbakken dwars te zitten. Ik zal drieslagen maken binnen drieslagen – wat voor mij werkt in poëzie, essays en fictie – binnen nog meer drieslagen. En het gaat er niet alleen om dat ik mijn tegenstellingen niet met één ontkenning mag formuleren, het gaat erom dat ik er twee moet gebruiken, zodat ze onbegrijpelijk worden; of ik rijg ze aaneen – zoals Thucydides: “De hele aarde is het graf van beroemde mannen; zij worden niet alleen geëerd met zuilen en inscripties in hun eigen land, maar ook in vreemde landen met gedenktekens die niet in steen zijn gegrift, maar in de harten en geesten van mensen” – zodat ik de wereld een stap voor ben.
En zo stap ik de duisternis in en vecht ik blindelings, tegelijk tegen de duivelse machine en tegen die lafaards die op de vlucht slaan.
Als je hetzelfde wilt doen, moet je ophouden je als een muis te laten opjagen en zelf als een kat gaan jagen – zonder angst, met scherpe, uitgeslagen klauwen, afstormend op wie of wat jou ook maar durft te bedreigen.
Ook jij zou de kat kunnen zijn.
Maar ik moet eerlijk zijn.
Ik raad je niet aan dit te proberen. Ik ben bijzonder, en dat wil jij ook zijn – zolang ik de enige ben die dit doet, kan mijn reactieve gedrag zich voordoen als initiatief, virtuositeit en onverschrokkenheid. En dat wil jij ook. Toch ben ik net als jij, maar dan met een kortstondige voorsprong: uiteindelijk heeft de wereld dit ook door en dan komt mijn lafheid achter de façade tevoorschijn. Iedereen zal weten dat ik in werkelijkheid ook op de vlucht ben.
Wanhopig als ik ben om op te vallen, zal ik iets anders moeten verzinnen.
Jagen en opgejaagd worden zijn, alleen al door hun symmetrie, even vermoeiend. Ik jaag achter AI aan omdat jij door AI wordt opgejaagd. Dit is voor mij de ware openbaring: als ik ooit merk dat ik niets meer heb om na te jagen of, omgekeerd, niets meer om voor te vluchten, zal ik er niet meer toe doen voor zover ik mezelf ervan overtuig dat ik ertoe doe voor zover ik het een of het ander ben.
Dus houd ik hier liever op.
Ik zal deze puinhoop benaderen zoals Wendell Berry en ’s nachts het bos in gaan, waar de carolina-eend rust en de grote reiger eet, waar het water stil is en de sterren nooit verbleken. Want er is geen betere balsem voor deze kwaal die we onszelf maar blijven aandoen dan te gaan liggen naast hen die hun leven niet belasten door op verdriet vooruit te lopen.
Dan schrijf ik.

The Peace of Wild Things – Wendell Berry
When despair for the world grows in me
and I wake in the night at the least sound
in fear of what my life and my children’s lives may be,
I go and lie down where the wood drake
rests in his beauty on the water, and the great heron feeds.
I come into the peace of wild things
who do not tax their lives with forethought
of grief. I come into the presence of still water.
And I feel above me the day-blind stars
waiting with their light. For a time
I rest in the grace of the world, and am free.
Alberto Romero, 21 april 2026
